De meerkoet behoort tot de familie
van de rallen.
De vogel is 38 centimeter groot, geheel zwart
met een witte snavel en voorhoofdsschild. Waar
voldoende water is, daar
leven meerkoeten. Er is geen park,
kanaal
of sloot zonder een paartje
meerkoeten. Wie meerkoeten een tijdje
gadeslaat,
zal opmerken dat
ze vaak
duiken naar
voedsel. Door de grote hoeveelheid lucht in hun verenkleed moeten ze echter nogal
wat moeite doen om onder water
te komen; ze maken dan
ook een sprongetje bij
het duiken en zetten zich met hun poten flink af.
Kort daarop
komen ze als een grote dobber weer naar
boven. In het broedseizoen zijn de zwarte
vogels echte kemphanen. Het territorium wordt
onder het slaken van
een schelle strijdkreet met snavel
en poten verdedigd tegen buurkoeten, waarbij
het er fel aan
toegaat.
Meerkoeten eten vooral waterplanten,
maar zeker wanneer
er jongen zijn
worden ook allerlei waterdieren
gevoerd en gegeten, die beter voorzien in de energiebehoefte van
dat moment. Van
oorsprong zijn meerkoeten echte moerasvogels,
met poten die bijzonder geschikt zijn
om te lopen op drijvende vegetatie
(kraggen) en wortels van
riet- en lismoerassen. Een
groot deel van de Meerkoeten blijft
in Nederland, maar
een deel trekt weg naar
de noordelijke helft van
het Iberisch Schiereiland. Nederland
fungeert als overwinteringsgebied voor een
deel van de populaties
uit Noord- en Oost-Europa.
Het aantal
meerkoeten neemt sinds de 60'er jaren
toe, maar de
groei van de populatie
zwakt sinds de 90'er jaren
iets af.