Scholekster (Haematopus Ostralegus)

Grote, bonte, zwart-witte steltloper met lange oranje snavel en roze poten. Kop, borst, rug en vleugels glanzend zwart; brede witte vleugelstreep; onderdelen en stuit wit, staart wit met brede zwarte eindband. In winterkleed met witte keelband. Juveniel als adult maar bovendelen bruinzwart, snavel vuiloranje en witte keelband.
Scholeksters zijn van oorsprong kustvogels, maar in de tweede helft van de vorige eeuw zijn scholeksters in toenemende mate in de graslanden van het binnenland gaan broeden. Opvallend is dat scholeksters vaak allemaal dezelfde kant op zitten, zodat ze elkaar niet hinderen wanneer gevlucht moet worden voor naderend gevaar. Om dezelfde reden wordt altijd een onderlinge afstand van ongeveer een meter gehandhaafd. De snavel van een scholekster is handig om in het wad naar mossels en kokkels te zoeken en ook om ze te openen en het schelpdiertjes eruit te eten. De snavel slijt wel erg hard van al dat harde materiaal. Gelukkig groeit hij ook snel weer aan, ongeveer 0,4mm per dag. Als de snavel niet zou slijten dan zou hij doorgroeien en op den duur krom worden. Scholeksters eten regenwormen, slakjes en kreeftachtigen. Anders dan bij de andere steltlopers worden de jongen door de beide ouders gevoerd, zelfs tot na het vliegvlug worden. Waarschijnlijk blijft het merendeel van de in Nederland voorkomende scholeksters het hele jaar door in Nederland en trekken ze net als kieviten met de vorstgrens mee. De soort vertoont sinds het begin jaren ’90 een gestage achteruitgang, o.a. veroorzaakt door voedselgebrek in de Waddenzee en door het vervroegde maaibeheer.